Altijd gereed, altijd onzichtbaar
Het is 13 december 1905. Voor de kust van Den Helder hangt er een dikke mistbank. Door de matige westenwind slaan er hoge golven woest tegen de kade. De kou is al net zo bruut: 1,6 graden. In het water ligt de allereerste Nederlandse onderzeeboot: de Luctor et Emergo. De boot is bezig met een proef om 12 uur lang aan de oppervlakte te varen. Helaas wordt de bemanning ernstig zeeziek en wordt de proef afgebroken. Het eventueel aanschaffen van een onderzeeboot door de Koninklijke Marine moet nog even wachten.
Een nieuw experiment
Op 21 december 1906 werd de Onderzeedienst van de Koninklijke Marine opgericht. Precies 120 jaar geleden. In 1906 is de onderzeeboot geen nieuwigheid meer. De Grieken hadden al in 1885 een onderzeedienst en de Fransen waren in 1863 begonnen. Nederland aarzelde. Is het wel veilig? Is de technologie wel volwassen genoeg? En vooral: is er wel budget voor? Toch kon de marine er niet omheen: zij werd (destijds) gezien als een kustverdedigingsorganisatie en een onderzeeboot past daar perfect bij.
De minister was “ten volle overtuigd van de grootte waarde, die eene bruikbare onderzeesche boot voor onze defensie zou hebben…”[1], maar wilde wel eerst zien wat zo’n onderzeeboot kan. Die eerste proeven in december 1905 liepen niet bepaald vlekkeloos, zoals je eerder al las. Tijdens een tweede poging in juli 1906 ging het daarentegen een stuk beter. De Luctor et Emergo slaagde erin drie uur onder water te blijven en 26 mijl af te leggen. Ook de torpedo-lanceerproeven verliepen gunstig.
Na afloop van deze successen werd de onderzeeboot door het Nederlandse parlement goedgekeurd. In december dat jaar werd de Luctor et Emergo in dienst gesteld in Den Helder. Deze werd omgedoopt tot Hr.Ms. O 1. De oorspronkelijke naam, Luctor et Emergo, vond de marine een iet wat ongemakkelijke naam. Waarom? De van origine wapenspreuk van de provincie Zeeland, waar de eerste Nederlandse onderzeeboot is gemaakt, betekent ‘ik worstel en kom boven.’ Deze naam verwees daarmee niet alleen naar de herkomst, maar ook naar de complexe totstandkoming van de onderzeeboot.[1]De Nederlandsche Marine. Grepen uit de ministerieele toelichtung op de begrooting van marine. Uit de officieele stukken.”. “Soerabaijasch handelsblad”. Soerabaja, 02-07-1903.
Pionieren en vernieuwen
De eerste decennia stonden in het teken van pionieren. De O-boten (onderzeeboten) waren bedoeld voor Europese wateren; de K-boten werden ingezet in de koloniën. In 1919 werd de eerste onderzeedienstkazerne aan de Spoorhaven in Den Helder geopend. Twee jaar later volgde onderzeebootstation Oedjong in Soerabaja, dat uitgroeide tot een modern station met uitgebreide onderhouds- en ondersteuningsfaciliteiten.
Hr.Ms. K XVIII
Ook technisch verlegde Nederland grenzen. Professor Felix Vening Meinesz deed vanaf 1924 zwaartekrachtmetingen aan boord van onderzeeboten. Daarvoor legde hij meer dan 100.000 zeemijl onder water af. Zijn reis met Hr.Ms. K XVIII in 1934 was destijds de langste onderzeebootreis ooit. Tegelijkertijd ontwikkelden Nederlandse bemanningen nieuwe tactieken met luchtwaarneming van de Marineluchtvaartdienst. Gelaste rompen, snuiverinstallaties en andere technieken maakten de boten steeds moderner. Nederlandse werven bouwden een sterke reputatie op in onderzeebootbouw en vakmanschap.
DE VUURDOOP
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg de Nederlandse Onderzeedienst haar vuurdoop. Bij de Duitse inval in mei 1940 wisten zeven onderzeeboten naar het Verenigd Koninkrijk uit te wijken. Vanuit Dundee, Gibraltar en later Australië zetten zij de strijd voort. In de Middellandse Zee en Zuidoost-Azië boekten Nederlandse boten grote successen. In de Aziatische wateren brachten zij in 1942 zelfs meer schepen tot zinken dan de gecombineerde Britse en Amerikaanse onderzeeboten samen!
Deze successen hadden wel een hoge prijs. Zes onderzeeboten zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren. Eén daarvan, de Hr.Ms. O 13, is nog steeds vermist. De namen van de 298 opvarenden van verloren gegane onderzeeboten en 98 andere militairen van de Onderzeedienst staan op de Ererol: een eervolle lijst met de namen van militairen die tijdens hun diensttijd om het leven zijn gekomen. Jaarlijks worden zij herdacht bij het Monument voor de Gevallenen Onderzeedienst 1940-1945.
Ontelbare geheimen
Na de Tweede Wereldoorlog, tijdens de Koude Oorlog, werden Nederlandse onderzeeboten veelvuldig ingezet voor geheime operaties, met name patrouilles van de Middellandse Zee tot de Noorse Zee. Vanaf de jaren ’70 werkten de Nederlanders nauw samen met de Britse marine en volgden zij Sovjet-Russische onderzeeboten. Hiervoor werden driecilinder onderzeeboten van de Dolfijn- en Potvisklasse ingezet, zoals de Tonijn. Later kregen de ‘driecilinders’ gezelschap van twee onderzeeboten van de Zwaardvisklasse. Met hun hydrodynamische, druppelvormige romp en enkele schroef waren zij een grote stap voorwaarts op het gebied van onderzeeboot ontwerpen. De driecilinderonderzeeboten zijn tot 1992 in gebruik geweest. De Zwaardvisklasse verdween in 1995 van het toneel.
De Walrusklasse
Voortbordurend op de succesvolle Zwaardvisklasse kwam werd vanaf 1990 de Walrusklasse in de vaart: een grote technische sprong, met X-roeren en vergaande geautomatiseerde sensor- en wapensystemen. Tijdens de oorlogen in voormalig Joegoslavië verzamelden deze boten inlichtingen en beschermden zij NAVO-eenheden. In 1999 kreeg Hr.Ms. Dolfijn tijdens de Kosovo-oorlog de opdracht om, indien nodig, Joegoslavische marineschepen uit te schakelen. Tot gevechten kwam het gelukkig niet. In 2010 verzamelde Hr.Ms. Zeeleeuw bij Somalië informatie waarmee NAVO-eenheden piraten konden onderscheppen.
ALTIJD GEREED, OOK NA 120 JAAR!
Vandaag bestaat de Onderzeedienst uit drie Walrusklasse-boten, torpedowerkschip Zr.Ms. Mercuur en een bescheiden staf. Ze zijn vaak onzichtbaar, omdat ook tegenwoordig nog vele missies van de Onderzeedienst in het geheim worden uitgevoerd. Dat is natuurlijk ook de kracht van deze boten, ongezien doeltreffend!
De Nederlandse onderzeeboten opereren ver en langdurig van huis: van het Caribisch Gebied tot het Hoge Noorden, tot voorbij Suez. De Walrusklasse boten zijn al ruim dertig jaar in de vaart, maar blijven operationeel relevant. Door innovaties blijft de dienst zichzelf uitdagen. Stilstaan is immers achteruitgang.
Toch zijn er grote veranderingen in zicht: de transitie naar de nieuwe Orkaklasse. Binnen dit project wordt de Onderzeedienst van de toekomst vormgegeven. In verschillende deelprojecten wordt intensief nagedacht over de toekomst: operationele inzet, bedrijfsvoering, opleidingsstructuur, trainingsmethodiek en onderhoudsconcept.
Een wereld apart
Wie nooit aan boord is geweest, kan zich nauwelijks voorstellen hoe het is. De onderzeebootcultuur kent eigen regels en rituelen: er mag maar twee keer per week maximaal drie minuten gedoucht worden. Een frikandel heet een dacco, een onderbroek een pendek. Drinkwater wordt zelf gemaakt aan boord. En bij je laatste reis worden je schoenen overboord gegooid. Dat is traditie.
Klim zelf aan boord
In Marinemuseum Den Helder is het mogelijk een kleine glimp van deze wereld op te vangen. Stap aan boord van de Tonijn. De enige onderzeeboot die je wél mag zien. Onze vrijwilligers, die allemaal gevaren hebben bij de Onderzeedienst, vertellen je graag wat meer over deze bijzondere wereld onder het zeeoppervlak.
[1] De Nederlandsche Marine. Grepen uit de ministerieele toelichtung op de begrooting van marine. Uit de officieele stukken.”. “Soerabaijasch handelsblad”. Soerabaja, 02-07-1903.
Bronnen / meer lezen:
J. Karremann, ‘Oprichtingsverhaal van de Onderzeedienst 86 jaar verkeerd verteld’, in: Marineschepen.nl. Geraadpleegd op: 16 september 2026
G.W. van Beek, ‘De Onderzeedienst in transitie. Groepscommandant Onderzeedienst KTZ Wiebe van Beek’ in: Marineblad.nl. Geraadpleegd op: 16 september 2026.